banner replacement

Interview met Prof. Soetaert


December 2006

"Binnen tien jaar verkopen boeren stoppels en kolven"

De prijs voor tarwe is fameus de hoogte ingeschoten, te wijten aan de mislukte oogst in Australië en op enkele andere plaatsen in de wereld. Een andere factor is de toegenomen vraag naar grondstoffen voor de productie van bio-ethanol. De Gentse professor Wim Soetaert, expert in witte biotechnologie en geestelijke vader van de Ghent Bio-Energy Valley, pleit voor realisme: “Boeren mogen niet verwachten dat de prijzen van hun landbouwproducten door de stijgende productie van bio-energie binnen de kortste keren zullen verdubbelen”.

Mits een normale oogst verwacht Soetaert dat de prijs van tarwe volgend jaar weer zal dalen, maar niet tot het niveau van twee jaar geleden. “De decennialange daling van landbouwprijzen is structureel tot stilstand gebracht. Interessant is bovendien dat we binnen vijf à tien jaar in staat zullen zijn om ook stro en maïsstoppels te valoriseren voor de productie van bio-energie. Dat is net op tijd omdat op dat ogenblik de exploitatie van grondstoffen voor biobrandstoffen van de eerste generatie aan zijn plafond zal zitten”.

Iedereen heeft de mond vol over biomassa en hernieuwbare energie. Nog geen vijf jaar geleden struikelde iedere tong over die termen.
Wim Soetaert: Door een samenloop van omstandigheden is het de jongste jaren heel hard gegaan. Er is een toegenomen aandacht voor duurzaamheid. Enkele jaren geleden werd het broeikaseffect nog in twijfel getrokken, maar sinds de passage van orkaan Katrina draaien zelfs de Amerikanen bij. Even belangrijk is de technologische ontwikkeling van de industriële biotechnologie. Door de flink toegenomen kennis en technologie kunnen we straks op basis van hernieuwbare grondstoffen zowat alles gaan produceren, en dan bedoel ik niet enkel biobrandstoffen maar ook bioplastics, chemische stoffen, solventen, detergenten, geneesmiddelen, bijna letterlijk alles. Dat was enkele jaren geleden niet zo.

Een fameuze katalysator zijn uiteraard de olieprijzen.
Zelf geloof ik niet dat de prijs van een vat ruwe olie ooit nog onder de 50 dollar zal dalen. Zelfs de oliemaatschappijen raken er nu van overtuigd dat de hoge petroleumprijzen ‘business as usual’ zijn. Ze beginnen te beseffen dat de makkelijk te ontginnen olie bijna opgesoupeerd is. Hoewel de mondiale vraag onder druk van de stijgende wereldbevolking voortdurend toeneemt, slaagt men er al tien jaar niet in om de productie boven de 85 miljoen vaten per dag op te trekken.

Zelf praat je veel en graag over de ‘bio-based economy’. Het tijdperk van de fossiele brandstoffen is echter nog lang niet voorbij…
Wat me erg optimistisch stemt, is dat de economische wetmatigheden in het voordeel van de hernieuwbare grondstoffen pleiten. Haal je rekenmachine maar boven: de biomassa is goedkoper geworden dan de petroleum. Plots beginnen alle chemieconcerns na jaren van onverschilligheid aandacht te besteden aan hernieuwbare grondstoffen. Die mensen kunnen natuurlijk ook rekenen. Ze hebben wel nog een hele tijd gehoopt dat de gestegen olieprijzen maar een tijdelijk fenomeen zouden zijn, maar die hoop lijkt vandaag vervlogen…

De biobrandstoffen zijn het meest zichtbare vlaggenschip van de hernieuwbare energie, maar de accijnsvrijstelling is er in ons land niet zonder slag of stoot gekomen. Hoe snel zal de bio-based economy écht zijn stempel drukken op de samenleving?
Het is hallucinant dat de overheid zolang getalmd heeft om de quota toe te kennen. Maar goed, beter laat dan nooit. Naast de biobrandstoffen zijn vandaag ook de bioplastics in volle opmars. Onlangs heb ik nog een voordracht gegeven voor de nieuwe Belgian Bioplastics Organisation, het is een sector die een stormachtige ontwikkeling doormaakt. Je mag ervan uitgaan dat binnen vijf jaar al zo’n tien procent van alle chemische stoffen vervaardigd zal worden met hernieuwbare grondstoffen en biotechnologie. Tegen 2050 zal dat percentage naar verwachting stijgen tot 50 procent. Dat is revolutionair. Anderzijds impliceert deze voorspelling ook dat petroleum niet meteen overbodig wordt. Fossiele grondstoffen bevatten een aantal componenten die biotechnologen moeilijk kunnen namaken, zoals bijvoorbeeld benzeen.

Zijn er voldoende hernieuwbare grondstoffen op onze planeet om in de toekomst aan de wereldvraag te voldoen?
Hierbij moet je een duidelijk onderscheid maken tussen de chemie- en energiesector. De vraag naar petroleum voor de productie van chemische stoffen bedraagt slechts 7 à 8 procent van de totale vraag. Er is ruim voldoende biomassa voorhanden om de vraag naar chemische stoffen op te vangen. Het energievraagstuk is complexer en vergt veel meer grondstoffen. Vandaag kunnen we niet alle brandstoffen vervangen door biobrandstoffen. In de toekomst mogelijk wel, zeker als we de biobrandstoffen van de tweede generatie ontwikkelen. Maar tegelijkertijd moeten we onze energiehonger matigen. Hybride wagens die slechts vier liter brandstof per honderd kilometer verbruiken, behoren vandaag al tot de standaardtechnologie. Het is duidelijk dat we het huidige verbruik voor ons transport met een factor 2 of 3 zullen moeten terugdringen. Dan is het mogelijk dat er op termijn een bijmengplicht komt tot nagenoeg honderd procent biobrandstof.

Je stond aan de wieg van de Ghent Bio-Energy Valley. Hoe uniek is dat project?
Het is een publiek-privaat samenwerkingsverband waarbij politieke overheden, kennisinstellingen en commerciële bedrijven de handen in elkaar slaan om samen projecten rond bio-energie te realiseren in het Gentse. Twee jaar geleden wist de havenschepen niet dat de universiteit bezig was met onderzoek op dat vlak. De onderzoekers hadden dan weer geen contacten met de bedrijfswereld. Toen heb ik het initiatief genomen om al die partners bij elkaar te brengen onder de vlag van Ghent Bio-Energy Valley. Het gaat niet om een luchtbel, want intussen staan voor 200 miljoen euro investeringen op stapel in de Gentse haven en er dienen zich nog heel wat nieuwe dossiers aan. We krijgen Japanners, Britten en Amerikanen over de vloer die investeringskansen komen onderzoeken. Die Gentse clustervorming werkt écht.

Durf je beweren dat Gent op mondiaal niveau een topregio is op het vlak van bio-energie?
Op andere plaatsen in de wereld wordt uiteraard ook samengewerkt, maar niet op structurele basis zoals in Gent. Vergeet ook niet dat je kritische massa moet hebben om ambitieuze projecten te doen slagen. Deze regio scoort traditioneel heel sterk op het vlak van biotechnologie, ook al was de aandacht vroeger haast uitsluitend gefocust op de rode en groene biotechnologie. De industriële biotechnologie is jarenlang stiefmoederlijk behandeld geweest.

Het stadsbestuur, de haven, de universiteit en de provincie Oost-Vlaanderen maken allen deel uit van de Ghent Bio-Energy Valley. Welke bedrijven zijn lid?
Er zijn verschillende categorieën. Er zijn de producenten van biobrandstoffen zoals Alco Bio Fuel, Bioro en Oleon. Minder bekend zijn Axtoll en Green Earth Energy. We hebben ook producenten van groene stroom op basis van biomassa: Electrabel, SPE en StoraEnso, een papierfabriek die na de recyclage de onbruikbare papierfractie verbrandt tot groene stroom en warmte. Organic Waste Systems is dan weer een wereldwijd actief bedrijf firma met geavanceerde toepassingen op het vlak van biogas. Tot slot zijn er nog een aantal bedrijven die technologie toeleveren. Genencor is een dochteronderneming van de Deense voedingsgroep Danisco die gespecialiseerd is in de productie van enzymen op basis van industriële biotechnologie. Andere leden zijn Cargill, Sea Invest, Euro Silo. De lijst groeit nog voortdurend aan. Enkele jaren geleden moesten we de bedelstaf gebruiken om sponsoring te ronselen, nu wordt mijn deur platgelopen door investeringsmaatschappijen op zoek naar goede projecten.

Het werkterrein blijft beperkt tot de Gentse haven…
Een bewuste keuze. Op die manier wijzen alle neuzen in dezelfde richting. Ook bedrijven uit andere regio’s kunnen lid worden, maar ze moeten dan wel een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de bio-energie in Gent. Ideaal is het natuurlijk als ze ook in Gent komen investeren in bio-energie. Onze doelstelling is duidelijk: Gent moet dé biohaven van Europa worden.

Onlangs heeft de haven van Antwerpen laten uitschijnen dat het ook ambities heeft op het vlak van bio-energie.
(aarzelt) Dat is een gevoelige vraag. Ik vind het onbegrijpelijk dat de haven van Antwerpen tot voor kort totaal geen interesse betoonde in bio-energie. De mensen die vandaag in Gent investeren, zijn natuurlijk ook in Antwerpen gaan kijken, maar ze zijn van een kale reis thuisgekomen. Nu ze de trein gemist hebben, is het Antwerpse havenbestuur er blijkbaar plots wakker geschoten. Maar een rijdende trein inhalen, is erg moeilijk. In Gent is er een maximale synergie én voldoende ruimte om nog nieuwe projecten te ontwikkelen. Persoonlijk vind ik dat Antwerpen zich nu best kan blijven focussen op zijn petrochemiecluster, die industrie zal morgen immers nog niet verdwenen zijn. Gent heeft geen olieraffinaderijen en heeft op dat vlak ook geen enkele ambitie. Daarmee wil ik niet zeggen dat samenwerking onmogelijk is. Integendeel, de huidige rivaliteit die er heerst, is godgeklaagd.

Hoewel de energie-efficiëntie om bio-energie te produceren volgens jullie nergens hoger is dan in het Gentse Rodenhuizendok, heeft BioWanze van de federale overheid een hoger productiequotum gekregen dan Alco Bio Fuel. Hoe voelt dat?
Erg gelukkig waren we niet met de verdeling. Ook Tate&Lyle mag accijnsvrije bio-ethanol produceren, hoewel de site in Aalst geen groeimogelijkheden heeft. En BioWanze heeft ongetwijfeld een goed project, maar de omkadering is helemaal niet te vergelijken met die in Gent. Uit het quotadossier heb ik geleerd dat de politiek en economie in Wallonië helemaal vervlochten zijn geraakt. BioWanze is vooral een project van de Waalse regering, en dat is een competitief voordeel wanneer beslist moet worden over de toekenning van quota (sic). Maar goed, al bij al werd het spel nog redelijk fair gespeeld.

De landbouwers zijn alvast blij dat de prijzen voor hun landbouwproducten stijgen.
De forse stijging van de wereldmarktprijs voor tarwe is vooral het gevolg van de lage mondiale opbrengsten dit jaar. Maar er is inderdaad goed nieuws voor de landbouwers: de historische daling van de marktprijzen voor een aantal teelten is structureel doorbroken. Door de stijgende vraag nemen zowel de prijs van fossiele als van hernieuwbare grondstoffen toe. Een interessant fenomeen is dat de prijzen van pakweg suiker en petroleum in de toekomst steviger aan elkaar zullen gelieerd zijn. Vijf jaar geleden waren landbouwgrondstoffen louter bestemd voor de voeding, terwijl de petroleum het monopolie had voor non-food toepassingen. De biotechnologie is de muur tussen beide werelden aan het slopen. Vooral in Brazilië zijn al grote gaten in die muur geslagen door de “flexible fuel cars” die op de markt verschenen zijn. Met die wagens kunnen chauffeurs het brandstoftype kiezen naargelang de prijs van de dag: vandaag benzine, volgende week bio-ethanol als die goedkoper staat.

Door de stijgende vraag naar energiegewassen zal het basisvoedsel duurder worden. Dat zal in de eerste plaats nefast uitdraaien voor de arme mensen in ontwikkelingslanden?
Ik denk dat de consumenten de prijs in de winkelrekken nog niet zo snel zullen zien stijgen. Dat voor multinationals in de voedingsindustrie iedere eurocent van de productiekost er één te veel is, begrijp ik wel. Voor ontwikkelingslanden kan zich een positief scenario ontwikkelen: indien zij kunnen inspelen op de structurele vraag naar landbouwgrondstoffen worden kleine boeren in het Zuiden niet langer geconfronteerd met de varkenscyclussen van koffie en cacao. Het is bovendien veel eenvoudiger om tarwe te exporteren dan om pakweg een high-tech computerfabriek te exploiteren. Omdat veel arme landen een groot landbouwpotentieel hebben, kan een groot stuk van de rijkdom in de wereld herverdeeld worden. Nu is de olierijkdom sterk geconcentreerd in handen van een handjevol sjeiks en petroleumbedrijven. Het zal er in de toekomst natuurlijk op aankomen ervoor te zorgen dat niet alle landbouwgrond in ontwikkelingslanden in handen valt van grootgrondbezitters. Op dat vlak ben ik eerder hoopvol: als kleine boeren beseffen dat hun grond geld waard is, zullen ze er ook voor vechten. Een boer die goed zijn brood verdient krijg je nog niet zo gemakkelijk van zijn land. Ontmoedigd door de slechte prijzen verkopen ze hun grond nu vaak voor een appel en een ei. Nog een voordeel is dat Europa en de VS in de toekomst hun landbouwoverschotten niet meer moeten dumpen op de kwetsbare markten van arme landen. Die overschotten kunnen straks naar de bioraffinaderij hier in Europa.

Geen schrik dat de wereldmarktprijzen voor landbouwgrondstoffen op termijn zodanig zullen stijgen dat ze het succes van de bio-based economy zullen ondermijnen?
Daarom zijn we aan de Gentse universiteit bezig met onderzoek naar de valorisatie van nevenproducten voor de productie van de tweede generatie biobrandstoffen. Het zal binnen 5 à 10 jaar mogelijk zijn om op grote schaal stro, maïskolven, stoppels, GFT-afval en andere biomassa te gebruiken. Daardoor ontstaat een veel grotere productiecapaciteit én verdwijnt de concurrentie tussen voedsel- en energiegewassen. Volgens berekeningen zou bio-ethanol uit stro zelfs competitief zijn met olieprijzen aan dertig dollar per vat. We zijn er nog niet, maar het lijdt geen twijfel dat die technologie er komt. Ze is de laboratoriumfase al voorbij, het komt er enkel nog op aan om de ontwikkelde techniek op grote schaal toe te passen in bioraffinaderijen. Daar zitten alle investeerders in de Ghent Bio-Energy Valley naar uit te kijken.

In het verstedelijkte Vlaanderen is er relatief weinig biomassa. Kan deze nieuwe industrietak dan rendabel zijn in het Gentse?
Antwerpen is de tweede grootste petrochemiehaven ter wereld, en de Vlaamse chemische industrie telt vandaag 65.000 werknemers met een omzet van 30 miljard euro. Toch komt hier geen druppel olie uit de grond. Als dit kan op basis van petroleum kan dat ook op basis van hernieuwbare grondstoffen, ook al moeten we het grootste deel invoeren.

Bron: VILT